Wat gebeurde er in het Rosenhan-experiment, en klopt het verhaal wel?

In 1973 publiceerde de Amerikaanse psycholoog David Rosenhan een onderzoek waarin acht gezonde mensen zich lieten opnemen in een psychiatrisch ziekenhuis. Ze werden allemaal toegelaten, kregen allemaal een diagnose, en kwamen er pas na dagen tot weken weer uit. De conclusie werd wereldberoemd: in een inrichting is het onderscheid tussen ziek en gezond niet te maken. Wat veel minder bekend is: toen iemand het onderzoek bijna vijftig jaar later ging natrekken, bleef er van het bewijs weinig over. Beide helften van dat verhaal zijn de moeite waard, want samen vertellen ze iets anders dan elk apart.

Wat Rosenhan zijn deelnemers liet doen

De opzet was eenvoudig. Acht deelnemers, Rosenhan zelf inbegrepen, meldden zich bij twaalf verschillende ziekenhuizen. Ze zeiden allemaal precies hetzelfde: dat ze een stem hoorden die de woorden empty, hollow en thud uitsprak — leeg, hol, plof. Verder logen ze nergens over. Ze gaven hun eigen levensverhaal, hun echte gevoelens, hun echte achtergrond.

Alle acht werden opgenomen. Zeven kregen de diagnose schizofrenie, één een manisch-depressieve psychose. Vanaf het moment van opname gedroegen ze zich volkomen normaal en meldden ze dat de stem weg was. Toch duurde het gemiddeld ongeveer drie weken voordat ze weer buiten stonden, en in één geval tweeënvijftig dagen. Ze werden ontslagen met de aantekening dat hun ziekte in remissie was: niet met de constatering dat er nooit iets aan de hand was geweest. Big Think zet de cijfers van de oorspronkelijke publicatie op een rij.

Het detail dat indruk maakte, was niet de diagnose maar wat erna gebeurde. Volgens Rosenhans beschrijving werd gewoon gedrag binnen de muren gelezen als symptoom: aantekeningen maken werd genoteerd als schrijfgedrag, en wie zijn best deed normaal te doen leverde daarmee geen bewijs van gezondheid, want de verklaring lag al vast. In zijn artikel waren het vaak medepatiënten die doorhadden dat er iets niet klopte, eerder dan het personeel. Houd die formulering vast — volgens zijn beschrijving — want daar komen we verderop op terug.

Het tweede deel, dat vaak wordt vergeten

Een ziekenhuis dat van de resultaten had gehoord, vond het onzin en daagde Rosenhan uit: stuur maar neppatiënten, wij pikken ze eruit. In de maanden daarna hield de staf een lijst bij van patiënten die volgens hen gestuurd waren. Er stonden er tientallen op. Rosenhan had niemand gestuurd.

Dat is een scherpere uitkomst dan de eerste helft, want hij wijst twee kanten op. Wie zoekt naar zieken, vindt zieken. Wie zoekt naar bedriegers, vindt bedriegers. In beide gevallen bepaalt de verwachting wat er gezien wordt, en in beide gevallen is er een echte patiënt die de rekening betaalt.

En toen ging iemand het natrekken

Het onderzoek stond decennialang in de studieboeken. Tot journalist Susannah Cahalan de archieven in dook en er in 2019 het boek The Great Pretender over publiceerde. Wat zij vond, is behoorlijk vernietigend, en het staat samengevat in de bespreking in Psychiatric Times:

  • De deelnemers waren grotendeels onvindbaar. Naast Rosenhan zelf kon zij er maar één met zekerheid terugvinden. Van de overige ontbreekt elk spoor, en haar conclusie is dat ze niet hebben bestaan.
  • Rosenhan zelf zei meer dan hij opschreef. Uit zijn eigen opnamedossier bleek dat hij bij de intake ernstiger klachten meldde dan zijn artikel vermeldt, onder meer dat hij radiogolven hoorde en dat hij gedachten aan zelfdoding had. Dat verandert de zaak wezenlijk: dan is hij niet opgenomen op één onschuldige zin.
  • Een deelnemer die het meeviel, viel af. Harry Lando hield een positieve ervaring over aan zijn opname. Zijn gegevens haalden de publicatie niet.
  • De cijfers klopten niet. Bij één deelnemer stond in het artikel zeven dagen in een ziekenhuis met achtduizend patiënten, terwijl het acht dagen waren in een ziekenhuis met vijftienhonderd.

Het onderzoek dat liet zien hoe gemakkelijk een verhaal voor waarheid doorgaat, blijkt dus zelf zo’n verhaal te zijn geweest. Dat is geen ironie maar een waarschuwing, en precies het patroon dat je bij meer beroemde proeven terugziet. Op deze site staat een overzicht van klassieke psychologische experimenten die bij nameting anders in elkaar bleken te zitten dan de anekdote belooft.

Wat blijft er dan over?

Eerlijk is eerlijk: minder dan de anekdote suggereert, en meer dan nul. Wat is weggevallen, is het bewijs. Rosenhans onderzoek kan niet langer dienen als aantoning dat psychiaters gezonde mensen niet van zieke kunnen onderscheiden, want de gegevens waarop dat rust zijn niet betrouwbaar.

Wat overeind blijft, is de vraag die het opriep, en die vraag was al voor 1973 gesteld en is sindsdien wél fatsoenlijk onderzocht: een eenmaal gestelde diagnose kleurt hoe alles daarna wordt uitgelegd. Dat het onderzoek rammelde, betekent niet dat het verschijnsel niet bestaat. Het betekent dat je er een andere onderbouwing bij moet zoeken — en dat is precies de denkstap die in populaire wetenschapsverhalen bijna altijd wordt overgeslagen. Ook hier speelt mee hoe slecht we onthouden waar we iets vandaan hebben: zie hoe betrouwbaar is je geheugen.

En de film dan?

Bijna iedereen die over dit experiment hoort, denkt binnen tien seconden aan One Flew Over the Cuckoo’s Nest. Die volgorde klopt niet helemaal. De roman van Ken Kesey verscheen in 1962, elf jaar vóór Rosenhan. Kesey wist waar hij het over had: hij werkte nachtdiensten als verpleeghulp in een ziekenhuis in Menlo Park en nam daar zelf deel aan een experimenteel programma met psychoactieve middelen. De verfilming van Miloš Forman kwam pas in 1975, ná de publicatie van Rosenhan. Het beeld liep dus niet achter de wetenschap aan; ze versterkten elkaar.

De film is opvallend dicht bij de praktijk gemaakt. Er werd in de winter van 1975 opgenomen in het Oregon State Hospital in Salem, de directeur van dat ziekenhuis speelt zelf de rol van de behandelend arts, en negenentachtig patiënten werkten betaald mee als figurant of productieassistent, aldus The Oregon Encyclopedia. De film won vijf Oscars, voor het eerst in eenenveertig jaar alle vijf de hoofdprijzen.

Hoe waarheidsgetrouw dat dan is, ligt ingewikkelder. In de Nederlandse filmkritiek is de film juist op dat punt streng beoordeeld: Filmkrant noemt de naïviteit waarmee de film naar psychische aandoeningen kijkt en wijst erop dat het onjuiste beeld van elektroshocks decennialang een taboe heeft gelegd op een behandelmethode die wél werkt. Dat is geen detail. Elektroconvulsietherapie wordt tegenwoordig onder narcose en met spierverslappers gegeven, en de scène die iedereen zich herinnert toont iets anders dan wat een patiënt vandaag meemaakt. Een film die de macht van de instelling wilde aanklagen, heeft zo bijgedragen aan een schrikbeeld dat mensen van behandeling afhoudt.

Wat je hiervan meeneemt

Drie dingen. Het experiment is echt uitgevoerd, maar de gepubliceerde uitkomst is onbetrouwbaar en hoort niet meer als bewijs te worden aangehaald. De film is met medewerking van een echt ziekenhuis gemaakt en is daardoor overtuigender dan hij op één belangrijk punt verdient te zijn. En het hardnekkigste verschijnsel uit dit hele verhaal zit niet in de inrichting maar erbuiten: een goed verteld voorbeeld blijft staan, ook nadat het bewijs eronder is weggehaald. Meer stukken over waarneming, oordeel en de houdbaarheid van een verhaal staan in de kennisbank. Wie liever eerst het Nederlandstalige overzicht van de proef leest, kan terecht bij HistorieNet.