Is Elfs een echte taal? Waarom Tolkiens talen zo echt klinken
Kort antwoord: nee en ja. Het Elfs uit The Lord of the Rings is geen natuurlijke taal met moedertaalsprekers, en het is ook geen afgeronde taal waarin je alles kunt zeggen. Maar het is wel een echte taal in de zin die er voor een lezer toe doet: het heeft een klankstelsel, een grammatica, een woordenschat van tienduizenden gepubliceerde woorden en, zeldzamer, een eigen geschiedenis. Dat laatste is de reden dat het zo echt klinkt. Tolkien bedacht niet een taal, hij bedacht een taalfamilie met een verleden.
Wat “Elfs” eigenlijk is
Er bestaat niet één Elfs. Tolkien werkte aan twee Elfentalen die ver genoeg zijn uitgewerkt om teksten in te schrijven: Quenya, het plechtige Hoog-Elfs dat in Midden-aarde ongeveer de rol van Latijn vervult, en Sindarin, de omgangstaal van de Grijze Elfen. De Nederlandse Tolkienvereniging Unquendor telt daarnaast zo’n twaalf talen en dialecten waarvan fragmenten bekend zijn, plus een stuk of tien waarvan maar een enkel woord is overgeleverd (Unquendor, Tolkien en taal). Volgens de Engelse Wikipedia, die zich baseert op taalkundige Carl Hostetter, gaat het in totaal om minstens vijftien talen en dialecten, ontworpen tussen 1910 en Tolkiens dood in 1973 (Wikipedia, Languages constructed by J. R. R. Tolkien).
Wie in de films van Peter Jackson Elfs hoort, hoort vrijwel altijd Sindarin. De openingszin van The Fellowship of the Ring, “I amar prestar aen, han mathon ne nen, han mathon ne chae a han noston ne ‘wilith”, is Sindarin voor “De wereld is veranderd; ik voel het in het water, ik voel het in de aarde, ik ruik het in de lucht” (Raymond Noë, De talen van Tolkien, Onze Taal).
Eerst de taal, dan het verhaal
Bij bijna elke roman of film met een verzonnen taal is de volgorde: eerst het verhaal, dan wordt er iemand ingehuurd om er een taal bij te maken. Bij Tolkien was het andersom. Hij begon rond 1910, als scholier in Birmingham, aan wat later Quenya zou worden (Wikipedia, Quenya). De verhalen kwamen daarna, als een plek waar die talen gesproken konden worden. In een brief aan zijn Amerikaanse uitgever uit 1955 schreef hij het zelf zo: “The invention of languages is the foundation. The ‘stories’ were made rather to provide a world for the languages than the reverse.” Unquendor noemt die omkering terecht een unicum.
Tolkien sprak in 1931 in Oxford een lezing uit die hij A Secret Vice noemde, zijn geheime ondeugd. Daarin beschreef hij het verzinnen van talen als een kunstvorm die op twee dingen draait: de schoonheid van klanken en de band tussen een taal en de mythologie van het volk dat haar spreekt. De tekst verscheen pas in 1983 in de bundel The Monsters and the Critics.
Waarom het echt klinkt: geleende klanken
De eerste reden dat Elfs geloofwaardig klinkt, is dat de klanken niet uit de lucht komen vallen. Quenya leunt op het Fins, met Latijn en Grieks op de achtergrond. Tolkien beschreef zijn kennismaking met een Finse grammatica als het ontdekken van een complete wijnkelder vol flessen van een verbazingwekkende wijn. Sindarin heeft, in zijn eigen woorden, een taalkundig karakter dat sterk lijkt op het Brits-Welsh, omdat dat paste bij het Keltische type legenden waarin het voorkomt. Beide uitspraken staan in zijn gepubliceerde brieven.
Het gevolg voor de lezer: je herkent de sfeer zonder de taal te kennen. Quenya klinkt open en vloeiend, met veel klinkers en woorden die op -a of -ë eindigen, zoals namárië. Sindarin is compacter, met klanken als “dh” en “ch” die je ook in het Welsh hoort. Dat is geen toeval maar ontwerp. Wie ooit Fins of Welsh heeft gehoord, heeft de indruk dat het “ergens vandaan komt”. Die indruk klopt.
Waarom het echt klinkt: een verzonnen geschiedenis
De tweede reden is zeldzamer en belangrijker. Tolkien was beroepshalve filoloog: hij bestudeerde hoe talen in de loop van eeuwen veranderen, hoe Latijn uiteenviel in Italiaans, Spaans en Frans, hoe het Oudengels het Engels van nu werd. Die kennis paste hij toe op zijn eigen talen. Quenya en Sindarin zijn geen twee losse verzinsels, maar twee nakomelingen van een gedeelde oertaal, die hij Primitive Quendian en later Common Eldarin noemde. Uit die oertaal leidde hij beide talen af via vaste klankwetten, precies zoals taalkundigen dat voor echte talen doen. In de jaren dertig legde hij die afleidingen vast in The Etymologies, een lijst van wortels met de woorden die er in elke dochtertaal uit gegroeid waren.
Dat is de reden dat een Elfse naam zelden willekeurig aanvoelt. Achter een woord zit een stam, achter die stam een klankverandering, en achter die verandering een stuk verzonnen geschiedenis. Een lezer ziet dat apparaat nooit, maar hoort het wel. Talen die in één keer zijn bedacht, missen precies die laag: ze zijn regelmatig en schoon, en dat is nu net wat een echte taal nooit is.
Wat een taal “echt” maakt volgens taalkundigen
Taalkundige John McWhorter behandelt in een les van TED-Ed de vraag of Elfs, Klingon, Dothraki en Na’vi echte talen zijn. Zijn maatstaf: een taal is echt als ze de rommelige eigenschappen van natuurlijke talen heeft, met een grote woordenschat, grammaticaregels en ruimte voor onregelmatigheid en verandering (TED-Ed, Are Elvish, Klingon, Dothraki and Na’vi real languages?). Aan die maatstaf voldoet Tolkiens werk beter dan de meeste filmtalen, juist omdat hij de verandering had ingebouwd voordat er een verhaal was.
Wat ontbreekt, is een sprekersgemeenschap. Niemand groeit op met Sindarin als moedertaal, en zonder sprekers verandert een taal niet meer uit zichzelf. Dat is het eerlijke deel van het antwoord “nee”: Elfs is een kunsttaal, geen levende taal.
Kun je Elfs leren?
Gedeeltelijk. Tegen 2008 waren er ongeveer 25.000 Elfse woorden gepubliceerd, verspreid over Tolkiens boeken, brieven en de vaktijdschriften waarin zijn nagelaten taalkundige papieren stukje bij beetje verschijnen (Wikipedia, Quenya). Dat is genoeg voor gedichten, groeten en inscripties, niet voor een gesprek over je belastingaangifte. Tolkien heeft nooit een volledige grammatica afgerond; hij bleef tot zijn dood aan de talen sleutelen en veranderde regelmatig van gedachten. Wie vandaag “Elfs spreekt”, spreekt daarom altijd een reconstructie waarin liefhebbers de gaten hebben gevuld. Dat geldt ook voor de dialogen in de films, die door een taalkundige zijn samengesteld uit wat Tolkien naliet.
Voor lezers is dat geen probleem. Je hoeft geen woord Sindarin te kennen om te voelen dat de namen in Midden-aarde bij elkaar horen en dat een Elfse naam anders klinkt dan een dwergennaam. Dat gevoel is het werk van dertig jaar filologie, verstopt onder een verhaal.
Waarom dit voor lezers van spanning en sciencefiction telt
De vraag “is dit echt?” is in wezen dezelfde vraag die je stelt bij een goed geconstrueerde thriller of een sciencefictionwereld: klopt het van binnen, ook op de plekken die ik niet kan controleren? Tolkien laat zien dat geloofwaardigheid niet komt van volledigheid, maar van samenhang. Een wereld hoeft niet af te zijn; ze moet een verleden hebben dat doorschemert in de details. Wie meer wil lezen over hoe verhalen en werelden hun geloofwaardigheid opbouwen, vindt in de kennisbank van deze site meer stukken over verhalen, films en de vraag wat er nog echt is, en in deze leeslijst per type lezer een keuze die past bij hoe je zelf leest. Deze kennisbank hoort bij de thriller Template van Michiel van Hattem.
Wie verder wil, kan terecht bij de Nederlandse Tolkienvereniging Unquendor en bij A Secret Vice zelf, dat sinds 2016 in een geannoteerde uitgave verkrijgbaar is. Het is een van de weinige teksten waarin een schrijver uitlegt waarom hij een taal mooi vindt voordat hij weet wie haar zal spreken.